Taalverwerving

 

Algemeen

Het leren van de (moeder)taal is een natuurlijk proces. Dit betekent niet dat taalverwerving (het zich eigen maken van de taal) vanzelf gaat. Een kind dat niet met taal in aanraking komt zal nooit goed leren spreken. Denk maar aan de  ‘wolfskinderen’.

Het aanleren van een taal staat niet op zichzelf. Taal wordt geleerd in samenhang met andere factoren. Er zijn een aantal voorwaarden waaraan voldaan moet worden:

    • Een kind moet geen problemen met de zintuigen hebben. Vooral het gehoor en gezichtsvermogen zijn belangrijk.
    • Het kind moet een bepaald niveau van intelligentie hebben.
    • De omgeving van het kind moet voldoende taal van een bepaald kwalitatief niveau aanbieden. Daarbij gaat het vooral om de interactie met het kind. Kinderen nemen initiatieven om in contact te komen met de mensen om hen heen. Ze hebben behoefte aan een omgeving die belangstelling voor hen heeft en op hen reageert.  

    Bij de vroege taalontwikkeling van kinderen is allereerst belangrijk wat het kind zelf meeneemt: het vermogen tot taalverwerving. Deze aanleg voor taal is eigenlijk de motor. Andere eigenschappen zoals extravert / introvert of verbale intelligentie bevorderen de werking van de motor.

    Interactie

    De motor heeft ook brandstof nodig. Die brandstof is de interactie. Bij interactie gaat het niet alleen om de hoeveelheid, maar ook om de kwaliteit van het taalaanbod. De kwaliteit is hoog als het taalaanbod aansluit bij de taalvaardigheid van het kind. De taalontwikkeling is van groot belang voor de cognitieve (verstandelijke) en sociaal-emotionele ontwikkeling. Taal speelt immers een grote rol in het organiseren van de waarneming, bij het richten van onze gedachten, het controleren van onze handelingen en het onthouden. Taal en denken zijn sterk met elkaar verbonden. Het gebruik van taal kan worden gezien als een sociale handeling: kinderen leren taal te gebruiken voor het verkrijgen, handhaven en reguleren van contact met anderen, hun gedrag en handelingen.

    Leren praten

    Goed leren praten begint in de wieg. Hoewel een kind gedurende het eerste levensjaar nog geen gesproken woorden gebruikt, begint de ontwikkeling van de communicatie via lichaamstaal direct na de geboorte. Zo kunnen ouders na enkele weken of maanden aan het huilen van hun baby horen hoe het zich voelt. Ze lezen dan al veel af aan de mimiek en bewegingen van hun kind, interpreteren dit en reageren erop. De ontwikkeling van deze non-verbale communicatie is een belangrijke voorloper van de talige ontwikkeling.

    Een kind begint rond negen maanden met natuurlijke gebaren en klanken duidelijk te maken wat het bedoelt. Enkele maanden later komen de eerste woorden. In de eerste levensjaren zijn er gevoelige periodes in de ontwikkeling van het kind. Dit betekent dat het in die periode een aantal vaardigheden op verschillende gebieden gemakkelijk aanleert. Krijgt uw kind in die periode niet de juiste stimulans en moet hij de vaardigheden later aanleren, dan kost dit meer moeite. De sociale ontwikkeling en de taalontwikkeling verlopen vooral in de eerste twee levensjaren sneller en soepeler dan in latere jaren.

    De hele taalontwikkeling speelt zich grotendeels af tussen 0 en 5 jaar. Zo kan een kind van 2 ½ jaar al langere zinnen begrijpen, terwijl het zelf nog spreekt in zinnen van twee à drie woorden.

    Basisvoorwaarden

    Basisvoorwaarden voor de taalontwikkeling zijn:

    • een kind moet verschillende geluidjes kunnen maken.
    • een kind moet kunnen luisteren naar geluiden en deze kunnen lokaliseren.
    • een kind moet handelingen en geluiden kunnen nabootsen.
    • een kind moet zich een voorstelling kunnen maken van bijvoorbeeld een voorwerp dat niet aanwezig is.
    • een kind moet in staat zijn objecten te herkennen voordat een kind voorwerpen gaat benoemen