Taalinhoud

ALGEMEEN

Taalinhoud gaat over woordbegrip en woordproductie, maar ook over het leggen van verbanden. Bij de taalinhoud kijkt u vooral naar wát een kind al kan begrijpen en/of zeggen. Hiermee drukt het kind de kennis uit van de ervaringen die het heeft opgedaan met voorwerpen en gebeurtenissen.

WOORDPRODUCTIE 

Kinderen leren concrete woorden zoals beer, koekje, vogel, maar ook abstracte woorden zoals kleuren en getallen. Ook leren ze relaties leggen tussen twee voorwerpen in korte zinnetjes zoals ‘pop eten’. Weer iets later kan een kind tegenstellingen uitdrukken (groot-klein) en ingewikkeldere verbanden uitdrukken tussen situaties zoals ‘Ik ben nat geworden, want ik heb in de regen gelopen’. Als een kind wat ouder is, kan het tijdsrelaties uitdrukken zoals ‘Mama, toen jij een kleine baby was, ging jij toen ook knoeien met je koekje?’.

WOORDBEGRIP

Het kind leert ervaringen begrijpen als u veel met hem praat over wat er gebeurt. Voldoende herhaling zorgt ervoor dat het kind zelf taal gaat produceren. Het begrijpen van woorden gaat dus vooraf aan het zeggen van woorden. Het begrip is daarom altijd verder ontwikkeld dan het spreken zelf. Alle ouders merken dat hun kind wel begrijpt wat er gezegd wordt, maar dat het kind het zelf nog niet zo kan zeggen. 
Een kind kan een woord pas op een zinvolle manier gebruiken als het begrijpt wat dat woord inhoudt. Begrijpen wat ‘sinaasappel’ betekent kan pas als het kind de sinaasappel zelf heeft ervaren: de kleur, de geur, de smaak, hoe het voelt, de vorm, het gebruik (schillen, in partjes verdelen, eten). Juist door de ervaring met een woord leert het kind ook de verschillende betekenissen van woorden. Zonder de ervaring met de sinaasappel zou het ronde oranje ding ook een bal kunnen zijn. Door de ervaring snapt het kind het woord en kan hij het gebruiken. Alle zintuigen zijn hierbij belangrijk.