Taalgebruik

Om goed te communiceren zijn vaardigheden en regels nodig. Zonder deze regels kan een gesprekje, hoe eenvoudig ook, moeilijk verlopen. Van jongs af aan experimenteert en oefent een kind met het gebruik van de communicatieregels van taal.
Bij het taalgebruik wordt vooral gelet op om welke redenen een kind taal gebruikt, dus naar het waarom van zijn communicatie. Gebruikt het kind vooral taal om dingen te verkrijgen of drukt het zijn gevoelens uit (‘Ik ben erg geschrokken’)? Gebruikt het kind taal om de communicatie te regelen (‘Mama?’) of gebruikt het taal om informatie uit te wisselen? Bijvoorbeeld door te vertellen over de ervaringen op het kinderdagverblijf of op school. 
Als een kind wat ouder is kan het zich in gesprekken beter aanpassen aan de gesprekspartner. Zo legt een kind in een telefoongesprekje met oma uit dat het op de televisie naar Sesamstraat kijkt; dat kan oma immers niet door de telefoon zien! Ook weet een kind steeds beter wanneer het ‘u’ of ‘je’ kan zeggen tegen de gesprekspartner en hoe het oogcontact maakt. Bij communicatie in onze westerse cultuur is oogcontact een belangrijk onderdeel. ‘Kijk iemand aan als je met hem spreekt’, leren wij onze kinderen. Met oogcontact laat u merken dat u actief luistert en geïnteresseerd bent in de ander en in wat hij vertelt. In andere culturen kan oogcontact anders benaderd worden (zie ook bij Meertaligheid). 

BEURTWISSELING

Beurtwisseling neemt binnen de communicatie een belangrijke plaats in. In een gesprek met een ander is het belangrijk dat een kind het om-de-beurtprincipe goed begrijpt en kan toepassen. Door elkaar praten is over het algemeen onprettig. Als u allebei tegelijk aan het praten bent kunt u elkaar immers niet meer verstaan. Het is belangrijk dat u de beurt kunt nemen als de ander is uitgesproken, maar ook dat u de beurt aan de ander geeft.Onder communicatieregels valt ook dat u stopt wanneer de ander duidelijk maakt dat het gesprek is afgelopen, dat u zich aanpast aan het taalniveau van de ander en dat u met volume, intonatie, lichaamshouding en inhoud respect toont voor de ander. Zo ontstaat interactie.

STIMULEREN VAN DE TAAL

De taalontwikkeling is een proces dat door interactie tussen volwassenen en kinderen ontstaat. In het volgen en stimuleren van de taalontwikkeling spelen de ouders een grote rol. (Zie ook bij Stimuleren). Door samen te praten, een boek te bekijken, te spelen met speelgoed of samen naar de kinderboerderij te gaan, krijgt het kind de optimale uitgangssituatie geboden om taal te leren gebruiken. Door de uitingen van uw kind te herhalen zoals het had moeten klinken geeft u uw kind het juiste voorbeeld. U kind zegt ‘pop toel zitte’, waarop u reageert met ‘ja, de pop zit op de stoel’.
Om taal te stimuleren is geen ingewikkeld of duur speelgoed nodig. Het stimuleren van taal kan altijd en overal. Volg de interesse van uw kind en pas het niveau waarop u tot het kind spreekt aan. Dit aanpassen gaat meestal vanzelf. De taal van een volwassene tot een jong kind verschilt van de taal die volwassenen onderling gebruiken: de toon is hoger, er is meer intonatie, de luidheid varieert meer, het spreektempo is trager, de uitingen zijn korter en er worden meer pauzes ingelast.